De kunst van het genieten. Proeven, snuiven, ruiken in wolken van genot.

Recentelijk heeft het Dordts Patriciërshuis bij kunsthandel Frides Laméris te Amsterdam een zeer zeldzame “pyramid of glass” kunnen aanschaffen.

Dit stuk werd als “center piece” tijdens het dessert in het midden van de tafel neergezet. De toren bestaat uit een aantal op elkaar gestapelde tazza’s met daarop kleine glazen van verschillende vorm. Het heldere en glanzende loodglas, de vele kleuren van vruchten en desserts zorgden voor een indrukwekkend effect. Dit was ook exact de bedoeling want het dessert “versierde de maaltijd” om maar met een contemporaine bron te spreken.

Voor zover ons bekend bevinden zich geen “pyramids of glass” in andere Nederlandse musea!

In het gezaghebbende kunstblad Collect is de glastoren recentelijk door Anna Laméris beschreven. Download hier het artikel.

Na het dessert trok men zich vaak terug om zich over te geven aan de genoegens van het pijproken. Deze erfgoedtraditie wordt zichtbaar gemaakt door het tentoonstellen van veelsoortige tabakspijpen, snuifdozen, kwispedoors, tabaksdozen, tegels, prenten en gereedschappen. Aldus wordt een breed overzicht verkregen van de cultuur van het pijproken in de tweede helft van de achttiende eeuw.
Deze voorwerpen zullen onder andere in bruikleen worden verkregen van het museum Joure, het Tabakshistorisch Museum Delft en diverse particulieren.

Tijdens de gehele looptijd van de tentoonstelling zullen maandelijks lezingen (klik hier voor het programma) worden georganiseerd over bovengenoemde onderwerpen.

De Cultuur van het Pijproken.
Het hedendaagse pijproken is de directe voortzetting van een eeuwenoud cultuurverschijnsel. Op het moment dat Columbus in 1492 voet aan wal zette op het vasteland van midden Amerika, trof hij daar al zo’n perfecte manier van tabaksgebruik aan, dat er in feite niets meer aan kon worden toegevoegd. In het begin vooral medicinaal maar al snel vooral een genotsmiddel. De oudste tabakspijpen dateren al uit een periode van 2000 jaar voor Christus en de Maya’s en Inca’s bakten 300 jaar na Christus al pijpen van klei.

In het 2de kwart van de 17de eeuw waren het de Nederlanders die het maken van stenen pijpen een eigen gezicht gaven waarmee zij toonaangevend werden. In Turkije, de Balkan en Oostenrijk kwam de meerschuimen pijp in zwang, in het huidige Duitsland vooral de porseleinen pijp, terwijl Nederland de voorkeur gaf aan zijn eigen, soms wel een halve meter lange pijp met eivormige kop (ketel), de zgn. Gouwenaar.

In de tweede helft van de 19e eeuw vindt er een radicale verandering plaats door de komst van de korte houten pijp, gemaakt van knolvormige wortelstronken van de Bruyèrestruik die groeit rondom de Middellandse Zee. De Franse plaats St. Claude zou in 1854 de primeur hebben gehad. Sinds die tijd zijn ontelbare variaties op het basistype ontworpen, vaak met heel veel creativiteit.

De volgende thema’s worden hieronder nader uitgelicht:

* Snuiven.
Het tabak snuiven, ofwel door de neus inhaleren van poedervormige tabak, bereikte in de 18e eeuw een hoogtepunt, vooral onder de gegoede burgerij. Een zeer bekende methode tot vervaardiging van snuif is die door middel van “de karot”. Overigens is dit een halfproduct dat, om tot snuif te worden, eerst nog moet worden gestampt en geraspt.

Veelsoortige tabakspijpen.
Er zijn een viertal hoofdsoorten te weten klei, meerschuim, porselein en hout. De eerste (klei)pijpmakers in Nederland waren Engelse huursoldaten, die zich na 1600 vestigden in Amsterdam en andere oud-Hollandse steden. Na 20/30 jaar kwamen er zelfstandige Nederlandse pijpmakers. Meerschuim dankt zijn naam aan het feit dat men deze stof aanvankelijk aanzag voor versteend zeeschuim, maar de delfstof komt voornamelijk uit Zuid – Oost Azië. Porseleinen pijpen zijn hoofdzakelijk gemaakt in de periode 1700 / 1900 en het merendeel is afkomstig uit Duitsland. Na 1850 worden deze drie soorten verdrongen door de Bruyère houten pijp. In Nederland is er nog een (Koninklijke) pijpenfabrikant, de firma Gubbels & Zn, in Herten – Roermond.

* Pruimen.
Het kauwen van tabak, ook wel pruimen genoemd, komt eind 16de eeuw in de mode in ons land. Reisverslagen vertellen ons dat scheepsartsen tabaksbladeren voorschrijven om scheurbuik te voorkomen. Later werd de pruimtabak veel gebruikt op brandgevaarlijke plaatsen zoals houten huizen en in het veen. Om de tabakssappen kwijt te raken werd een kwispedoor (in de volksmond spuwpootjes) gebruikt.

* Tabaksdozen.
Door het geringe volume van de pijp aan het begin van de 17e eeuw was er geen behoefte aan grote dozen om tabak te bewaren. Duidelijk herkenbaar: kleine ovale en eivormige tabaksdozen. In de 18e eeuw komt er een nieuw type in zwang: een langwerpige tabaksdoos, al dan niet met afgeronde hoeken, vaak voorzien van een bijzondere decoratie. Bijbelse voorstelling of een verwijzing naar het verleden geven de messing tabaksdozen een bijzondere uitstraling.

* Gebruik en onderhoud.
Voor het roken van een pijp is een vuurtje onontbeerlijk. Om ook buitenshuis gemakkelijk vuur te verkrijgen ontstond de tondeldoos, vaak cilindrisch van vorm, uit messing vervaardigd en voorzien van de tondel. Samen met de bijbehorende attributen, de vuurslag en vuursteen, werd een vonk geproduceerd die de tondel deed gloeien waarna een houten spaander voor het gewenste vuur zorgde. Na afloop gebruikte de pijpenroker een pijpen reukel of pijpen peurder om het restant tabak te verwijderen.

* Tabak.
Rond 1550 komt de tabak reeds voor in ons land, zij het als sierplant in botanische tuinen. Rond 1600 is het roken van tabak in Europa een algemeen feit en worden er de eerste initiatieven ontplooid om in ons land tabak te gaan verbouwen. Tegen 1650 zijn er tal van tabakspercelen aanwezig in plaatsen als Nijkerk, Wageningen, Amersfoort en Amerongen. In de 18e eeuw breidde de teelt zich uit over de provincies Overijssel, Utrecht en Gelderland. Pas in de tweede helft van de 20ste eeuw verdween de tabaksteelt uit ons land.